Intensieve Ambulante Gezinsbehandeling (IAG)

Intensieve Ambulante Gezinsbehandeling (IAG) is gericht op het herstellen van de minimale basiszorg in gezinnen. Deze zorg is er voor gezinnen waar één of meerdere gezinsleden LVB hebben en er sprake is van meerdere en complexe problemen. De zorg richt zich op de basis: adequate fysieke, psychische en affectieve omstandigheden voor de kinderen.

  • Indicatiecriteria:

    • leeftijd: gezinnen met minimaal één kind tussen 0 en 18 (23) jaar. Er is minstens een thuiswonend of terug te plaatsen kind tussen de 0 en 18 (23) jaar. Indien er sprake is van een licht verstandelijke beperking kan het gaan om jeugdigen tot 23 jaar;
    • ontwikkelingsniveau/IQ: deze methode is geschikt voor kinderen en/of ouders met een LVB (IQ > 50);
    • problematiek: meerdere en complexe problemen tegelijkertijd op verschillende terreinen:
      • de ouders ervaren een bovengemiddelde opvoedingsbelasting en hebben beneden gemiddelde opvoedingsvaardigheden*);
      • een of meer kinderen in het gezin kampt met ernstige internaliserende en/of externaliserende problematiek**);
      • er zijn problemen met het netwerk (sociaal netwerk ontbreekt of is weinig ondersteunend, problemen met formeel netwerk);
      • aanvullend op de problemen in de opvoeding en problemen van de jeugdige(n) heeft het gezin problemen op minimaal één van de volgende terreinen:
        • eigen problemen van ouders (psychische/psychiatrische problematiek);
        • problemen in de partnerrelatie, rond scheiding en het samengaan van gezinnen (relatieproblemen, problemen op het gebied van seksualiteit,
          problemen rond het samengaan van gezinnen);
        • problemen in de omstandigheden van het gezin (werkloosheid ouder, financiële
          problemen, huishouden, dagstructuur, wonen in een achterstandswijk);
      • de gezinnen zijn niet in staat om naar een instelling toe te komen voor hulp of kunnen onvoldoende profiteren van hulp die buiten hun eigen omgeving op individueel niveau wordt aangeboden, omdat ze niet voldoende in staat bleken aangeleerde vaardigheden toe te passen in hun eigen omgeving.

    Contra-indicaties:

    • een acute crisissituatie in het gezin, zoals acute onveiligheid of directe fysieke bedreiging van een gezinslid.

    *) blijkend uit een T-score hoger dan 63 op de OBVL, of een T-score lager dan 37 op de VGFO, of een vergelijkbare score op eenzelfde soort instrument.
    **) blijkend uit een gedragsvragenlijst: het kind scoort op minimaal twee subschalen van de CBCL in het (sub)klinische gebied of heeft een vergelijkbare score op eenzelfde soort instrument.

  • Hoofddoel:

    • kinderen kunnen in het gezin blijven wonen of opnieuw thuis wonen. De thuissituatie voorziet in de minimale basiszorg, waarbij sprake is van adequate fysieke, psychische en affectieve omstandigheden voor de kinderen en die daarmee ook voldoende veilig is.

    Subdoelen:

    • gedragsproblemen van het kind/de kinderen zijn verminderd;
    • ouders ervaren minder opvoedingsbelasting en hun opvoedingsvaardigheden zijn vergroot;
    • gezin heeft een sociaal netwerk en maakt daar gebruik van.
  • Aard werkzaamheden

    IAG biedt intensieve psychosociale hulp in het gezin. Er wordt in een periode van 20 tot 52 weken oplossings-, competentie- en systeemgericht gewerkt aan doelen van de gezinsleden. Een geheel trajekt duurt vaak 12 maanden. Startfase: 6 weken, daarna vindt de behandelfase plaats.

    In sommige gemeenten heeft de IAG’er ook de taak van casemanager. Uitgangspunt hierbij is dat de cliënt zoveel mogelijk zelf de regie neemt, al dan niet samen met familieleden, buren of vrienden uit het eigen netwerk. Wanneer er meer ondersteuning nodig is op de regie, is er sprake van een casemanager. In de meeste gevallen is dat degene die het meest direct betrokken is bij het gezin. De casemanager is degene die ervoor zorgt dat iedereen in de casus doet wat hij moet doen en daar zelf ook – voor zover het zijn eigen professionele discipline betreft – actief aan deel neemt.

    Daartoe werkt hij samen met de professionele partners het plan van aanpak uit in een uitvoeringsplan, toetst hij of de doelen in de praktijk ook haalbaar zijn, c.q. gehaald worden. Het uitgangspunt hierbij is het versterken van de eigen regie van de cliënten en hun sociale netwerk, bij voorkeur met toepassing van sociale netwerkstrategieën.

    Werkzame elementen

    • een open, niet-veroordelende en positieve grondhouding;
    • het opbouwen van een werkrelatie en het aansluiten bij de ervaringen, belevingen en wensen van de gezinsleden;
    • gericht op het versterken van de krachten en aansluiten bij mogelijkheden van de gezinsleden en hun netwerk;
    • multimodale aanpak gericht op de kinderen, de ouders en het netwerk en het tegelijkertijd en in samenhang aanpakken van de problemen;
    • IAG interventies zijn zoal: in de startfase : inzetten genormeerde vragenlijsten, afnemen van geno- en sociogram, observaties, video-opnames
    • Behandelfase: bieden v psycho-educatie, inzet van picto's, planborden, etc. rollenspelen, video-opnames, systemische gesprekken, GGGG-schema's of cognitief gedragstherapeutische principes. Zie hiervoor de beschrijving handleiding IAG, daar wordt het helder beschreven.
    Doelen zijn:
    • leren van nieuwe vaardigheden en nieuw gedrag;
    • verbeteren van de communicatie en de onderlinge relaties in het gezin.
    • versterken van de sociale steun rond het gezin.

    Aanvullend voor jeugdigen:
    De richtlijn Multiprobleemgezinnen (onderdeel van de Richtlijnen jeugdhulp en jeugdbescherming ontwikkelt door Het Nederlands Instituut van Psychologen (NIP), de Nederlandse vereniging van pedagogen en onderwijskundigen (NVO) en de Beroepsvereniging van Professionals in Sociaal Werk (BPSW)) bevat nog meer werkzame elementen rondom het ondersteunen van jeugdigen met complexe problematiek.

    Betrokkenheid ouders en andere personen uit het sociale netwerk

    Ouders, gezin, familie en netwerk rondom het kind zijn intensief betrokken en zijn het fundament waarop de behandeling is gebaseerd.

    Specifieke aanpassingen voor de omschreven doelgroep(en)

    M.b.t. de LVB doelgroep kunnen sommige fases langer duren omdat er meer uitleg, herhaling en oefening nodig is bij deze doelgroep en omdat er vanuit wantrouwen/ slechte ervaringen van ouders/ verzorgers met hulpverlening meer tijd nodig is voor het opbouwen van een werkrelatie (vertrouwen).

    Belangrijk is ook om meer gebruik te maken van visuele ondersteuning en middelen om de verbale overdracht te verduidelijken. Bij ouders met een LVB kunnen met behulp van picto's en schema's veranderingen ingezet worden.

    Duur, frequentie en vorm van de interventie

    De hulp van IAG bestaat uit drie fasen:

    1. startfase (6 weken): het opbouwen van een werkrelatie, het analyseren en ordenen van de problemen in het gezin met de gezinsleden en het gezamenlijk opstellen van doelen;
    2. veranderingsfase (12 tot ongeveer 38 weken): werken aan de doelen in twee wekelijkse bezoeken van 1,5-2 uur;
    3. afbouw en afscheid (6 tot 8 weken): vasthouden van het geleerde door de gezinsleden.

    Tijdsinvestering van de professional(s)

    Aantal en duur sessies (de gehele interventie): 9 - 12 maanden, gemiddeld 2 keer per week, 60-90 minuten per sessie.

    Individuele WB door GW: structureel 1x 3 weken 30 min per gezin per IAG ér.

    Er is tevens 1- 4 a 6 wkn intervisie, waar enkel IAG ‘ers aan deelnemen (anders is het geen intervisie). Ook vinden algemene teamvergaderingen plaats waarin organisatorische punten aandacht krijgen en waarbij methodische verdieping aan de orde komt.

    Individuele werkbegeleiding/supervisie door gedragswetenschapper: structureel 1 keer per 3 weken 1 uur gericht op individuele IAG-er.

    Het IAG trajekt start met een startgesprek met gezin, IAG ér, verwijzer en gedragswetenschapper. Na zes weken wordt in dzelfde samenstelling het behandelplan besproken. Daarna volgt er een tussentijdse evaluatie, aan de hand van tussentijdse evaluatieverslag. HET IAG trajekt wordt afgesloten met een afrondingsgesprek, met gezin, IAG’er, GW en verwijzer

    Indien de IAG’er de taak heeft van casemanager, wordt in afstemming met de gemeente gekeken naar de benodigde tijdsinvestering.

  • Gebaseerd op / bewerking van:

    IAG is een samenvoeging van gezinsgerichte interventies (IOG, IPG, IOG/IPG-LVG) uit verschillende sectoren (jeugd & opvoedhulp, jeugd-GGZ en zorg voor jeugdigen met een licht verstandelijke beperking). De technieken en strategieën zijn ontleend aan oplossingsgericht werken, systeemgericht werken, competentiegericht werken en de presentiebenadering.

    Effectiviteit

    De effecten van IAG zijn onder de eerdere noemers IG (Intensieve Gezinsbehandeling) en IOG (Intensieve Orthopedagogische Gezinsbehandeling) in verschillende empirische onderzoeken onderzocht. Het betreft voornamelijk veranderingsonderzoeken met een voor- en een nameting. In de onderzoeken is voornamelijk gekeken of de opvoedingsbelasting van de ouders afnam en of de gedragsproblematiek van de jeugdige verminderde.

    • Het eerste onderzoek naar IAG (onder de noemer IG, Intensieve Gezinsbehandeling) werd uitgevoerd over de gezinnen die in 1997 of 1998 hulp kregen van IOG (Ten Brink, Kerkstra, Roosma & Veerman, 2001). Ze verzamelden gegevens over 682 kinderen uit 519 gezinnen over onder andere probleemgedrag jeugdige met de CBCL en ouderlijke stress met de NOSI. De auteurs berekenden in dit onderzoek geen effectgroottes, ze concluderen dat er een afname te zien is op beide indicatoren. Wel is er bij de afsluiting nog aanzienlijke problematiek te zien bij de jeugdigen en de ouders. 88% van de kinderen woonden bij afsluiting van IG nog thuis, zes maanden na afsluiting was dit nog 77%.
    • Damen, Veerman & Janssen (2002) onderzochten IOG in de provincie Limburg. Dit betrof een kleine onderzoeksgroep. Ook in dit onderzoek werd gekeken naar de vermindering van probleemgedrag bij de jeugdige (N=19) en de afname van de opvoedingsbelasting (N=19). De afname van probleemgedrag liet een klein effect zien (ES 0.24) en de afname van de opvoedingsbelasting een middelgroot effect (ES 0.31). Bij afsluiting woonde 93% van de kinderen nog thuis.
    • Veerman, Janssens & Delicat (2005) voerden in 2004 een meta-analyse uit naar zeventien methodieken voor intensieve pedagogische thuishulp, waaronder IOG. Deze zeventien methodieken waren vrijwel op dezelfde manier geëvalueerd, met een voor- en nameting op de afname van externaliserende gedragsproblemen bij de jeugdige (met de CBCL) en op de afname van opvoedingsbelasting van de ouders (met de NOSI(K) of de VGP (bij twee methodieken). IOG en IOG voor licht verstandelijk gehandicapten waren twee van deze zeventien methodieken (N resp. 329 en 37). Op externaliserend probleemgedrag bij de jeugdigen werd bij afsluiting een middelgroot effect gevonden (ES 0.60 resp 0.67). De afname van opvoedingsbelasting liet een klein/middelgroot effect zien (ES 0.58 resp. 0.60). Het externaliserende probleemgedrag bij de jeugdigen was bij afsluiting wel verminderd, maar bleek toch nog aanzienlijk. Bij de afname van de opvoedingsbelasting bleek het beeld gunstiger, dit was bij veel van de methodieken tot normale proporties teruggebracht.
    • Veerman, De Meyer & Roosma (2007) onderzochten in dit effectonderzoek drie interventies over meerdere jaren die binnen de Hulp aan Huisprogramma’s in Noord en Oost Nederland worden uitgevoerd, waaronder IOG (N = 449 kinderen). Er is een voor- en nameting uitgevoerd naar de afname gedragsproblematiek jeugdigen en afname opvoedingsbelasting ouders met de gestandaardiseerde en genormeerde instrumenten CBCL en NOSI. De effectgroottes voor afname gedragsproblematiek en afname opvoedingsbelasting voor IOG waren resp. 0.70 en 0.68, een middelgroot effect. 53% van de kinderen bleek bij afsluiting nog aanzienlijke gedragsproblemen te hebben, 41% van de ouders ervoer op dat moment nog aanzienlijke problemen bij het opvoeden. De effecten bleken redelijk gelijk te zijn over de populaties in de verschillende provincies en in de tijd, waardoor ze volgens de auteurs niet aan het toeval kunnen worden toegeschreven.
    • Veerman, De Meyer (2019), Het onderzoek laat gunstige resultaten zien: het psychosociaal functioneren van kinderen en de opvoedvaardigheden van ouders verbeteren wanneer zij IAG ontvangen. Het is positief dat voor het onderzoek een groot databestand over een lange periode (2009-2019) gebruikt kon worden. Daarnaast is een vergelijking gemaakt met de resultaten uit 2000-2008 met in grote lijnen dezelfde positieve resultaten. We hopen dat deze resultaten eraan bij zullen dragen dat IAG erkend kan worden met 'eerste aanwijzingen voor effectiviteit'.


    • Brink, T. ten, Kerkstra, G., Roosma, D. & Veerman, J.W. (red.). Het onderzoek IAG. Assen: Hulp aan Huis.
    • Damen, H.R., Veerman, J.W. & Janssen, J. (2002). Evaluatie-onderzoek Innovatieprogramma Jeugdzorg Limburg. Deel 1: Achtergronden, opzet en resultaten. Nijmegen: Praktikon.
    • Veerman, J.W., Janssens, J. & Delicat, J.W. (2005). Effectiviteit van Intensieve Pedagogische Thuishulp: Een meta-analyse. Pedagogiek, 25 (2), 176-196.
    • Veerman, J.W., Meyer, R.E. de & Roosma, A.H. (2007). Effectonderzoek aan huis; opzet en uitkomsten van het onderzoek van de Hulp aan Huisprogramma's in Noord- En Oost-Nederland. Tijdschrift voor Orthopedagogiek, 46, 155-168.


Locaties

Filters

Cliëntgroep
Leeftijd
Cognitief niveau
Sociaal-emotioneel niveau
Begeleidingsintensiteit
Type nachtzorg
Specifieke kennis en kunde
Aantal gevonden locaties: 44